Balada Triste de Trompeta (2010)

Javier komt uit een geslacht van clowns. Zijn grootvader was clown, zijn vader was clown en zelf zal hij dus ook clown worden. Maar geen vrolijke, want Javier heeft niet echt een gezellige jeugd gehad. Het is namelijk 1937, het jaar van de Spaanse burgeroorlog.

Balade Triste de Trompeta schiet al vanaf het begin als een bezetene uit de startblokken wanneer we zien hoe Javiers vader, nog gekleed in een roze jurk en met clown make-up op, geronseld wordt om te vechten tegen de oprukkende fascisten. Gewapend met een machete gaat hij als een dolle te keer maar moet toch het onderspit delven tegen de overmacht. Een paar jaar later besluit Javier zijn vader te bevrijden uit een werkkamp, maar deze poging faalt jammerlijk en zijn vader overlijdt wanneer de grot instort.
We skippen een paar decennia en het is inmiddels 1973. Javier heeft werk gevonden als treurige clown in een nog treuriger circus dat gebukt gaat onder de terreur van de ‘vrolijke’ clown Sergio. Deze man is een hufter eersteklas, iedereen is bang voor hem en lacht slaafs om zijn kutgeintjes. Ook vind hij het nodig om zijn vriendin, de acrobate Natalia, publiekelijk in elkaar te beuken. Maar iedereen pikt het, want hij is de enige reden dat het circus nog klandizie heeft, omdat hij het zo leuk bij de kinderen doet.
Javier heeft al snel de woede van Sergio op zijn hals omdat hij het als enige waagt om tegen hem in te gaan en ook Natalia lijkt interesse in de bolle pierrot te krijgen. Er ontstaat een bittere en uitermate bizarre strijd tussen de twee clowns.

Het woord ‘bizar’ is eigenlijk niet voldoende om Balada Triste de Trompeta (ook bekend onder de saaie naam The Last Circus) te omschrijven. Regisseur Álex de la Iglesia (800 Bullets, Perdita Durango, El Día de la Bestia) staat al niet bekend om zijn subtiliteit maar gooit hier werkelijk alle registers open. Hij vermengt de strijd tussen de clowns met historische gebeurtenissen in het Spanje van Franco. De film en de karikaturale personages zou je dan ook kunnen zien als een metafoor voor de rare tijd die het land doormaakte en misschien nu nog steeds doormaakt in de ogen van de regisseur. Dat de film niet bezwijkt onder deze pretenties is dan ook wel een klein wondertje. De pikzwarte humor en het extreme geweld wat de hoofdpersonen op elkaar en zichzelf loslaten houden de kijker in een oncomfortabele maar ijzersterke greep. Na elke scène vraag je je af wat voor gestoords De la Iglesia nu weer uit zijn bebloede clownshoed tovert. Het is dus wel duidelijk dat dit geen film voor iedereen is, maar de liefhebbers weten genoeg. Zelfs voor een caulrofoob als ondergetekende.


"De pikzwarte humor en het extreme geweld wat de hoofdpersonen op elkaar en zichzelf loslaten houden de kijker in een oncomfortabele maar ijzersterke greep."

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.